Het vuur van Bart van Heel slecht spelblokkades.
Verslag van de masterclass gehouden op 30 maart 2008 in De Engelenbak tijdens het ACA Theaterfestival.
Hoe lapt Bart van Heel het hem toch? De masterclass is koud vijf minuten – vooruit, tien minuten - van start of de toeschouwers in de zaal heeft hij tot deelnemers gemaakt. Mensen die elkaar hooguit van gezicht of van een praatje in de foyer kennen, doen op de zaalvloer een greep naar elkanders kuiten om daar denkbeeldige aardbeien te plukken. Hier kenschetst zich een onvervalst staaltje vakmanschap dat geen afstand schept maar helpt bij het overwinnen van schroom of faalangst die bij het spelen in de weg kunnen zitten.
Dat nagenoeg alle toeschouwers gehoor geven aan zijn uitnodiging om de vloer op te komen en aan de warming-up mee te doen, komt niet alleen door het aanstekelijk enthousiasme van Bart maar zeker ook door de zorgvuldige wijze waarop hij een veilige spelomgeving weet te creëren. Op de achterzijde van zijn gele T-shirt prijkt in zwarte koeienletters de tekst Doe het niet te goed. De tekst is een geruststelling verpakt in de gebiedende wijs. Het verlangen om ‘mooi’ te willen acteren, veelal ingegeven door de begrijpelijke angst om voor de ogen van een publiek te falen, heeft vaak een remmend effect op het spel. Bart neemt het woord angst niet in de mond maar spoort aan om bij het spelen fouten te durven maken. Grof geformuleerd, een speler moet soms op zijn bek gaan, hetgeen later in de workshop ook letterlijk zal geschieden maar dan om geheel andere redenen.
Onder de noemer Fysiek emotioneel acteren reikt Bart de deelnemers twee spelmethoden aan waarmee zij bij het acteren kleur aan hun spel kunnen geven. De eerste methode geeft een handvat om tijdens het spelen te ‘schakelen’. Bart onderscheidt achtereenvolgens, spelen met je hoofd, spelen met je hart en spelen met je bekken. Het hoofd representeert het denken, het hart het voelen en het bekken het onontkoombare moeten. Bart put zich niet uit in theoretische uiteenzettingen of metafysische beschouwingen maar laat het verschil tussen spelen vanuit hoofd, hart of bekken door de aanwezigen zélf ondervinden. De mensen die zich voor de warming-up op de vloer hebben verzameld, krijgen de opdracht om in viertallen te beargumenteren (hoofd) waarom vliegeren zo goed is voor de mensheid. Als reden wordt gegeven dat vliegeren goed is voor je relatie omdat je bij het vliegeren samen een balans moet vinden. Het samen een balans vinden, wordt vervolgens het uitgangspunt bij het spelen vanuit het hart waarbij de bezieling en het voelen van het samenzijn centraal staan. Het vergt wat oefening om het verschil tussen spelen vanuit het hart en vanuit het bekken te ervaren. Bekken betreft de noodzaak van het spelen van de situatie en heeft een dwangmatige component. Die drift vertaalt zich in het lichaam; de speler zakt letterlijk door de knieën. Op die manier wordt voorkomen dat de speler zichzelf ‘op slot’ zet en zijn of haar spelenergie blokkeert.
De kracht van de methode schuilt hem in de in praktische toepasbaarheid. Dit blijkt even later duidelijk uit de scènes die in tweetallen worden gespeeld. Bart laat de deelnemers schakelen tussen hoofd, hart en bekken. Het is prachtig om te zien wat voor een effect het schakelen op de kleur en dynamiek van het spel heeft. Op momenten dat het hoofd de overhand dreigt te nemen, geeft Bart de aanwijzing om letterlijk op de vloer onderuit te gaan. Het zich laten vallen heeft tot gevolg dat de acteur uit het denken wordt getrokken en gemakkelijker naar het bekken schakelt. Met een knipoog naar de regisseurs in de zaal vertelt Bart dat ‘je je spelers moet laten donderen’. Wanneer de focus van een speler naar beneden is gericht, spreekt hij over ‘spelen voor de broodkruimels’ en moedigt hij aan om ‘het aan het publiek te geven’. Een andere gedenkwaardige uitspraak uit zijn mond opgetekend luidt ‘het gaat om het uitproberen en niet om de resultaten. Ik houd van zieke mensen op het toneel want dan denk ik, hè eigenlijk val ik zelf wel mee’.
De tweede spelmethode gaat uit van de vier basisemoties; bang, boos, blij en bedroefd.
De basisemoties manifesteren zich in de gezichtsexpressie en het fysiek van de speler
en zijn vanwege hun universaliteit gemakkelijk voor het publiek herkenbaar. Bart
demonstreert dit aan de hand van een concrete spelsituatie die hij aanduidt met
‘de klassieke sigarettenscène’. Hij laat een speler de scène
openen met de zin ‘ik ga even sigaretten halen’ hetgeen voor de tegenspeler
een codewoord is voor ‘ik ga je verlaten’.
Uit de gespeelde scènes blijkt dat wanneer een acteur een duidelijke keuze
voor één van de basisemoties maakt, hij deze emotie in zijn spel nauwelijks
hoeft te illustreren. Het publiek krijgt de gemoedsgesteldheid vanzelf mee en of
zoals Bart het formuleert ‘je krijgt het er gratis bij’. Omdat het personage
op die manier direct een eerste laag heeft, stelt het de speler in staat zijn personage
verder te nuanceren en te verfijnen. Deze gelaagdheid kan bereikt worden door op
de gekozen basisemotie een tweede basisemotie te stapelen. Een boos iemand kan een
blijde dag hebben en bij zichzelf denken ‘verdomme, waarom heb ik dit niet
eerder gehad?’. Ook de tweede methode bewijst zijn effectiviteit op het speelvlak.
Willekeurige spelers worden zonder enige voorbereiding aan elkaar gekoppeld en vergasten
het publiek op interessante, aangrijpende en hilarische spelmomenten. Hulde voor
de spelers en voor Bart. Hij kent het amateurtoneel en zijn beoefenaren als geen
ander en wendt kennis, kunde en bezieling aan om anderen te laten schitteren. Van
Heel – what’s in a name? – ís hart, hoofd en békken!
Amsterdam, 1 april 2008
Madelon Schipper